FAQ RIO po

Algemeen

Voor welke sectoren wordt RIO beschikbaar gesteld?

RIO is voor alle sectoren, maar elke sector kent zijn eigen RIO-sectormodel.

Binnen de sector primair onderwijs is RIO bedoeld voor:
• Regulier basisonderwijs (inclusief Europees basisonderwijs, Internationaal georiënteerd basisonderwijs, Onderwijs aan varende kinderen en Onderwijs aan mobiele kinderen)
• Speciaal basisonderwijs
• Speciaal onderwijs
• Voortgezet speciaal onderwijs

Waar kan ik meer inhoudelijke informatie vinden over RIO?

Op de website www.rio-onderwijs.nl staat op hoofdlijnen de inhoud van het informatiemodel beschreven.

Op de site van het standaardisatie-orgaan Edustandaard is de uitgebreide versie van de RIO sectormodellen (voor basisonderwijs en voor (voortgezet) speciaal onderwijs) plus toelichting te vinden (https://www.edustandaard.nl/standaard_afspraken/registratie-instellingen-en-opleidingen-rio/).

De waardelijsten voor opleidingseenheden en voor opleidingskenmerken zijn beschikbaar (incl. een toelichting) op https://www.doorontwikkelen-bron.nl/documenten-rio-po/ (onder kopje Waardelijsten RIO-po).

Waar kan ik terecht als ik vragen heb over RIO?

Voor alle vragen die met de implementatie van RIO te maken hebben (waaronder het aanmelden/registreren van RIO contactpersonen) kunt u contact opnemen met de RIO helpdesk: rio@duo.nl.

Voor vragen over het informatiemodel kunt u terecht bij info@rio-onderwijs.nl. Wanneer u dergelijke vragen telefonisch wilt stellen, kunt u contact opnemen met Kennisnet: 0800 – 321 22 33.

Hoe wordt RIO ontsloten?

RIO wordt op een aantal manieren ontsloten. Uiteraard kunnen onderwijsinstellingen zelf via MijnDUO inloggen en de eigen gegevens raadplegen. Zonder in te loggen kan elke partij of persoon het RIO-register raadplegen. De informatie die in RIO staat is open data en bevat geen persoonsgegevens. Alleen voor de gegevens bij de communicatiecontexten is een uitzondering gemaakt; die zijn alleen maar in te zien door de partijen waarvoor de communicatiecontext bedoeld is (zoals de Inspectie voor het Onderwijs, de leerplichtambtenaar van een gemeente, DUO-medewerkers etc.).

Behalve door rechtstreeks in het RIO-register te kijken, kunnen partijen ook gegevensleveringen krijgen uit RIO via zogeheten API’s (rechtstreekse digitale koppeling tussen het RIO-register en het eigen systeem van de afnemende partij) of Linked Open Data.

Hoe wordt het RIO-register gevuld?

Onderwijsinstellingen in het primair onderwijs registreren hun RIO-gegevens in het centrale RIO-portaal. De toegang tot het portaal verloopt via MijnDUO en de autorisaties daarvoor zijn door de instelling zelf in te stellen.

Let op, dit is anders dan in het voortgezet onderwijs. Daar worden de gegevens van Onderwijsaanbieders, Onderwijslocaties en Aangeboden opleidingen bijgehouden in het leerlingadministratiesysteem en automatisch uitgewisseld met RIO. In het primair onderwijs is in samenspraak met het onderwijsveld en de leveranciers gekozen om de RIO-gegevens vanuit het onderwijsbestuur centraal in het RIO-portaal te beheren. Deze gegevens worden in de leerlingadministratiesystemen automatisch ingelezen en komen beschikbaar voor andere processen waaronder het inschrijven in het nieuwe Register Onderwijsdeelnemers (ROD, voorheen BRON).

Implementatie

Waar vind ik informatie over wat ik moet doen in het RIO register?

Registratie in het RIO register kan vanaf half april 2021. In de Kennisbank van RIO (https://rio-kennisbank.duo.nl/rio-po/overzichtspagina-handleidingen-po.jsp) vindt u een stappenplan, uitleg over de verschillende schermen, handige tips en ook instructievideo’s.

Voordat u de gegevens in RIO kunt vullen, moet u beschikken over de benodigde gebruikersrollen in Mijn DUO. Als u voor uw onderwijsinstelling de beheerder bent van MijnDUO, hebt u de RIO beheerdersrollen nodig om uzelf of een collega de RIO gebruikersrollen toe te kennen. Dit doet u door bij ‘Autorisatiebeheer’ de betreffende rollen en kenmerken te koppelen. Het is zaak om het overzicht te bewaren en het vullen van RIO bij 1 of 2 personen te beleggen. Autorisatie op bestuursniveau is voldoende, hiermee kan u als beheerder alle informatie ook van de school of scholen onder het bestuur vastleggen en later ook muteren.

Is het mogelijk om de gegevens later dan de deadline van 1-8-2021 in RIO in te voeren?

De datum van 1-8-2021 is op verzoek van de leveranciers gekozen omdat zij dan genoeg tijd hebben om aan hun kant de administraties (databases) van de onderwijsorganisaties goed met RIO te kunnen koppelen en de juiste gegevens per database op te halen zodat alles klaar staat op 31-12-2021. Dit omdat in januari 2022 de knop van het bestaande BRON wordt omgezet naar het nieuwe ROD (Register Onderwijsdeelnemers) en bepaalde nieuwe RIO-velden dan verplicht worden. Overigens wordt er dan nog niet hard afgekeurd als de gegevens onverhoopt ontbreken op dat moment, in samenspraak met het onderwijsveld en de PO-Raad hebben OCW en DUO een overgangsfase ingelast om het hele nieuwe stelsel zachtjes te laten landen zodat er geen problemen met zoiets belangrijks als bekostiging gaan optreden.
Dat koppelen met RIO en de gegevens in de juiste database zetten kunnen de leveranciers niet altijd helemaal automatisch en ze voorzagen derhalve dat ze met de (beheerders van de) onderwijsbesturen daar nog nadere finetuning voor moeten gaan regelen en dat kost wel enige doorlooptijd. Het zal niet heel erg zijn als niet iedereen op 1-8-2021 klaar is met de registratie, zeker als dat binnen een maand (dus voor 1-9-2021) wel het geval zal zijn.
Wordt het onverhoopt later, dan kunt u voor de zekerheid even contact opnemen met uw leverancier om te kijken wat hun planning precies is en wanneer zij uw organisatie willen aansluiten. Dat verschilt nl. per leverancier.

Waarom staat de ingangsdatum in RIO op 1-8-2021? En moet ik die aanpassen?

De objecten die in de Onderwijsinrichting van RIO door de besturen worden vastgelegd (onderwijsaanbieders, onderwijslocaties, aangeboden opleidingen en communicatiecontexten) zijn in principe nieuw, met andere woorden ze bestonden eerder niet in deze vorm en onder deze naam. Omdat de startdatum voor RIO voor het po op 1-8-2021 is vastgelegd (de datum waarop de besturen RIO voor hun organisatie gevuld moeten hebben), is daarom deze datum als default gekozen. Ook in de andere sectoren zijn er destijds afspraken gemaakt over de standaard ingangsdatum van deze nieuwe RIO-objecten.

Uiteraard zal in de meeste gevallen de oprichtingsdatum van de “school” veel eerder liggen. Die is dan ook zichtbaar bij de onderwijsinstellingserkenning (de “BRIN4”). En voor de buitenwacht (leerlingen, ouders, gemeente etc.) bestaat de “school” natuurlijk ook al veel langer. Maar omdat “school” in de betekenis van organisatie in RIO als onderwijsaanbieder wordt geregistreerd en onderwijsaanbieder er als object nog niet eerder was, is het geen enkel probleem om hiervoor een startdatum van 1-8-2021 te hanteren. Dus u hoeft geen extra werk te steken in het bij elkaar halen van de oprichtingsdatums uit de erkenningen en gewoon de default datum hanteren voor de nieuwe RIO-objecten.

Als u later dan 1-8-2021 uw gegevens invoert (of wijzigt) gebruik dan bij het opslaan de datum waarop u dit doet.

Mandateren en OSR

Hoe verhouden OSR en RIO zich tot elkaar?

In het OSR mandateren scholen leveranciers om bepaalde processen en diensten voor hen uit te voeren. Voorbeeld hiervan is het uitwisselen van gegevens vanuit het LAS met RIO. Het OSR functioneert als een digitaal telefoonboek, maar wisselt zelf de gegevens niet uit.

De hoofdadressering van de uitwisseling gaat nu nog op BRIN4 niveau. In het OSR wordt er onder die hoofdadressering een of meerdere administraties herkend waar gegevens heen moeten worden gestuurd of uit op worden gehaald. De inrichting van die administraties kan per instelling behoorlijk verschillen en is daarom niet rechtstreeks uit RIO af te leiden. OSR vult RIO op dit punt aan om dit verder onderscheid in administraties mogelijk te maken.

Omdat op dit moment voor het primair onderwijs nog geen Onderwijsaanbieders geregistreerd zijn, is het ook niet mogelijk om deze al te gebruiken voor de hoofdadressering van gegevensuitwisseling in het OSR. In de toekomst is het wenselijk dat de hoofdadressering niet meer op BRIN4-niveau plaatsvindt maar op dat van de Onderwijsaanbieders uit RIO, omdat dit meer aansluit bij de inrichting van de administraties.

Hoe kan ik mijn softwareleverancier mandaat geven om de RIO-gegevens uit te wisselen?

Voor RIO moet uw (leerling)administratiesysteem (LAS) aangesloten worden op het RIO-register. U dient uw softwareleverancier te mandateren om de RIO gegevens namens uw bestuur uit te wisselen. Dit kan in het Onderwijs serviceregister (OSR).

De besturen die nog geen overeenkomst met Kennisnet hebben, hebben het verzoek ontvangen om de overeenkomst met Kennisnet te sluiten, inclusief een contract voor het gebruik van het OSR.

Voor de toegang tot het OSR wordt gebruik gemaakt van MijnDUO als authenticatie- en identificatiemiddel. Er wordt een nieuwe rol toegevoegd aan de ‘Beheerder Organisatie’ van uw instelling.

Modelleren

Wat is modelleren?

Modelleren is kijken naar de werkelijkheid en deze netjes geordend weergeven. Het is daarom handig om het resultaat van een modellering ook visueel te presenteren, met schema’s. RIO werkt daarom veel met dit soort schema’s.

Welke hulpmiddelen zijn beschikbaar?

Ter ondersteuning bij het modelleren zijn een modelleerhandleiding en instructiefilmpjes beschikbaar (te vinden in https://www.doorontwikkelen-bron.nl/documenten-rio-po/) en verder is er een online modelleertool (www.riomodelleertool.nl) waarmee u de eigen onderwijsinrichting kunt uitwerken en visualiseren.

Hoe krijg ik toegang tot de modelleertool?

Om toegang te krijgen tot de modelleertool moet u eerst een account aanmaken op www.riomodelleertool.nl. De modelleertool is een zelfstandige applicatie buiten de DUO-portal. U kunt daarom niet met uw DUO-gegevens inloggen. Klik in de modelleertool op de knop ‘Registreren’ om een account aan te maken, inclusief wachtwoord. U krijgt een activeringsmail en daarna kunt u inloggen. Houd uw bestuursnummer bij de hand als u een eerste keer inlogt zodat uw account aan de juiste BRIN-gegevens kan worden gekoppeld. 

Onderwijsaanbieder en Onderwijslocatie

Hoe verhouden Onderwijsaanbieder, Onderwijslocatie, Instelling en Vestiging zich tot elkaar?

Instelling en Vestiging zijn veel gebezigde begrippen uit voor een tweetal formele erkenningen nl. respectievelijk de instellingserkenning (BRIN4) en de vestigingserkenning (BRIN4+tweecijferig volgnummer, ook wel BRIN6 genoemd). In RIO zijn de objecten Onderwijsaanbieder en Onderwijslocatie geïntroduceerd om beter en fijnmaziger aan te kunnen geven hoe de onderwijsorganisatie precies is ingericht. Dit noemen we de onderwijsinrichting en die moet overeenkomen met de view die in het maatschappelijk verkeer wordt herkend door verschillende “stakeholders” waaronder uiteraard de leerlingen en hun ouders cq voogden. Immers, aan een instellingserkenning kunnen meerdere Onderwijsaanbieders (“scholen of schoolorganisaties”) gekoppeld zijn en een Onderwijsaanbieder kan gebruik maken van meerdere Onderwijslocaties (“schoolgebouwen”).

Onderwijsaanbieder, Onderwijslocatie, Instellingserkenning en Vestigingserkenning kunnen ogenschijnlijk samenvallen (de eenpitter met maar een schoolgebouw bijvoorbeeld). Door deze objecten uit elkaar te trekken en aan elkaar te relateren maakt dit de wijze waarop het onderwijs kan worden georganiseerd een stuk flexibeler qua registratie en gebruik. Dit ook met het oog op wettelijke en maatschappelijke ontwikkelingen (zoals de doorlopende leerlijnen als de Tienerschool, maatwerkdiploma of de groeiende samenwerking tussen twee of meer Onderwijsbesturen om gezamenlijk onderwijs aan te bieden en te verzorgen) die zich de komende jaren in het onderwijs steeds meer gaan voordoen.

Moet ik elke plek waar ik gebruik van maak als Onderwijslocatie registreren?

Elke plek waar u als onderwijsbestuur onderwijs aanbiedt en verzorgt moet u in principe registreren als Onderwijslocatie in RIO; feitelijk legt u het gebruik vast van zo’n locatie. Het is om verschillende redenen verstandig om dat ook te doen. Diverse processen zoals die in de leermiddelenketen, bij de gemeentes en ook bij de Inspectie van het Onderwijs, moeten de leerlingaantallen op een onderwijslocatie weten. Via een vestigingserkenning krijgen ze die niet altijd goed in beeld omdat meerdere onderwijslocaties onder dezelfde vestigingserkenning (die van de “hoofdvestiging”) kunnen vallen. Deze partijen bevragen de scholen ieder apart dan alsnog om een splitsing in die aantallen te verkrijgen. Als de onderwijslocaties echter worden geregistreerd in RIO dan kunnen die later mee worden gegeven in de inschrijving in ROD/BRON zodat de genoemde partijen direct de benodigde informatie kunnen verkrijgen en de scholen niet meer hoeven lastig te vallen met aparte bevragingen en daarmee gepaard gaande extra administratieve werkzaamheden.

Plekken waar leerlingen slechts een klein deel van de tijd onderwijs genieten (bijvoorbeeld een aparte gymzaal) hoeven niet als aparte Onderwijslocatie te worden geregistreerd.

Tenslotte is het niet nodig om locaties te registreren als Onderwijslocatie waar ondersteunende diensten (bestuursbureau, ICT etc.) zijn ondergebracht, maar waar geen onderwijs wordt aangeboden. Die locaties en met name de contactgegevens ervan worden veelal wel geregistreerd via de Communicatiecontexten.

Onderwijsaanbieder of onderwijslocatie?

Hoewel in het vo ze vaker voorkomen, zien we ze ook in het po terug: een groep van scholen die onder dezelfde vlag opereren. De vraag die vele onderwijsbesturen zich in het kader van RIO stellen is: is zo’n scholengroep nu één Onderwijsaanbieder met verschillende Onderwijslocaties of kunnen we de afzonderlijke scholen beter beschouwen als zelfstandige Onderwijsaanbieders die ieder voor zich het onderwijs aanbieden op een eigen plek d.w.z. Onderwijslocatie. Het enige goede antwoord is niet te geven, beide zienswijzen als hierboven geschetst zijn in principe toegestaan. Om erachter te komen wat het beste bij de situatie van de eigen organisatie past kan onderstaande helpen:

• Of Onderwijsaanbieders wel of niet gerelateerd zijn aan 1 BRIN4 (dus onder dezelfde instellingserkenning vallen) is niet relevant. Vergeet bij het modelleren in eerste instantie die BRIN4 (of BRIN4’s).
• Hebben de scholen een zekere mate van zelfstandigheid ten aanzien van de inrichting van het onderwijs? Dan zou dat erop wijzen dat het Onderwijsaanbieders zijn (zelfstandige organisatorische eenheden dus). Als op locaties alleen het onderwijs wordt verzorgd dat centraal wordt aangestuurd dan zou dat erop kunnen wijzen dat de centrale organisatie de onderwijsaanbieder is, die op meerdere Onderwijslocaties het onderwijs aanbiedt.
• Hebben de scholen een eigen naam? Een eigen logo? De naam van de overkoepelende scholengroep kan overigens best onderdeel van de naam van de school uitmaken.
• Kent de buitenwereld de “school” als een zelfstandige organisatie met een eigen naam en signatuur?
• Wil je dat de scholen in studiegidsen, keuzesites, (op termijn) scholen op de kaart etc. als zelfstandige Onderwijsaanbieders vindbaar zijn? Het ligt in de lijn der verwachtingen dat dit in de toekomst in eerste instantie gebeurt op het niveau van de Onderwijsaanbieder. Niet voor niks zien we dat wat nu de vestigingserkenningen zijn (kortweg “vestigingen” genoemd) in het maatschappelijk verkeer in feite als de school (in de betekenis van organisatorische eenheid) wordt beschouwd en daarmee eigenlijk Onderwijsaanbieder is. Dat de plek waar het onderwijs wordt aangeboden vaak 1-op-1 is met de organisatie die dat onderwijs aanbiedt, heeft er toe geleid dat die plek ten onrechte de naam lijkt te hebben die eigenlijk toebehoort aan de organisatorische eenheid.
• Wil je wellicht bepaalde contactgegevens op het niveau van de scholen gaan registreren (want dat kan niet of is veel lastiger als je ze beschouwt als onderwijslocaties gerelateerd aan 1 overkoepelende onderwijsaanbieder).
• Hoe intern de aansturing geregeld is met managers en rectoren is niet zo relevant. Dus je hoeft niet per se een rector per Onderwijsaanbieder te hebben, er zijn genoeg situaties waar de managementlaag in een onderwijsorganisatie anders is ingestoken dan dat men naar buiten toe zich wil profileren.

Aangeboden opleidingen

Hoe moet speciaal basisonderwijs worden gemodelleerd en geregistreerd in RIO?

Speciaal basisonderwijs wordt gemodelleerd door een aangeboden opleiding te maken met de volgende eigenschappen:
• Opleidingseenheid: Basisonderwijs
• Doelgroeponderwijsvorm: Speciaal basisonderwijs
• Opleidingskenmerk: naar keuze, indien relevant.

Welke opleidingseenheden kan ik kiezen in het voortgezet speciaal onderwijs?

In RIO spreken formeel over opleidingseenheden. Dat kunnen zowel opleidingsgroepen zijn of individuele opleidingen. Denk bij opleidingsgroep bijv. aan havo bovenbouw (een aggregatie dus van de 4 profielen die daaronder vallen) en bij opleiding aan havo profiel natuur en techniek. Op deze niveaus kunnen Aangeboden opleidingen geregistreerd worden in RIO. Het hangt van de situatie af of u het aanbod alleen op opleidingsgroepen registreert of op het niveau van opleidingen (een mix is ook mogelijk).

De opleidingsgroepen Arbeidsmarkt en Dagbesteding zijn verder uitgesplitst naar de (wettelijke) onderverdeling waarop ook de Inspectie van het Onderwijs de opbrengsten baseert. De opleidingsgroep Vervolgonderwijs wordt uitgesplitst tot een tweetal onderliggende niveaus van opleidingsgroepen (bijv. vmbo-bb bovenbouw) alsmede op het niveau van de individuele opleidingen.
De individuele opleidingen zijn vergelijkbaar met die van het reguliere voortgezet onderwijs en lopen synchroon met de door OCW erkende opleidingen. Deze erkende opleidingen hebben een erkendeopleidingscode (ook wel elementcode genoemd) en hierop worden vanaf 1-1-2022 de leerlingen ingeschreven in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD, de opvolger van BRON).
Er is vanaf schooljaar 2021-2022 een aparte codetabel 1b voor de erkende opleidingen van het vso in de Staatscourant gepubliceerd.

Uitgebreide uitleg over het gebruik van opleidingen in het vso en hoe die te gebruiken in RIO wordt geboden via een instructievideo (zie https://rio-kennisbank.duo.nl/rio-naslag/naslag-po-overzichtspagina.jsp, Instructievideo’s: Stap 5 – aangeboden opleidingen voor het speciaal voorgezet onderwijs).

De waardelijst Opleidingseenheden po (incl. so en vso) en de toelichting daarop zijn te vinden op https://www.doorontwikkelen-bron.nl/documenten-rio-po/).

Let op: in de modelleertool is de indeling nog enigszins anders dan wat er nu in RIO is geïmplementeerd. Dat komt omdat ten tijde van de introductie van de modelleertool op sommige punten nog een afstemming en analyse liep met het onderwijsveld en OCW ten aanzien van de gewenste en toegestane indeling. Die is begin 2021 afgerond. Mede de ervaringen met de modelleertool heeft bijgedragen tot de opzet die nu in RIO beschikbaar is gekomen.

Wat is het verschil tussen uitstroomprofielen en opleidingseenheden in het vso?

In het voortgezet speciaal onderwijs spreekt men tot nu toe over de drie zogenoemde uitstroomprofielen nl. dagbesteding, arbeidsmarkt en vervolgonderwijs. In RIO denken we echter in opleidingseenheden en die vormen ook de basis voor de Aangeboden opleidingen die in RIO kunnen worden geregistreerd.

Waarom geen uitstroomprofiel hanteren? Een uitstroomprofiel is iets wat je bepaalt als een leerling zich bij een vso-school voor een inschrijving aanmeldt. De school moet voor die leerling een bepaald ontwikkelingspad gaan opstellen die leidt tot een volgende stap in zijn carrière, de uitstroomrichting. Zo’n stap kan een vervolgopleiding zijn (bijvoorbeeld in het mbo) maar kan ook een baan zijn op de arbeidsmarkt of een vorm van dagbesteding. Uitstroomprofielen leg je vast in een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP).
De Inspectie kijkt of het ontwikkelingsperspectief wat opgesteld is met daarin het uitstroomprofiel ook aan het einde van een periode waarvoor dat perspectief van toepassing was is gehaald. Eigenlijk heel vergelijkbaar met een vo-schooladvies in het po. Na 3 jaar vo-onderwijs wordt ook gekeken of de leerling op dat moment in een onderwijssoort zit dat overeenkomt met het eerdere advies vanuit het po.

In RIO gaat het echter om het opleidingsprogramma wat je aanbiedt dat leerlingen kunnen volgen. Dat is iets wezenlijks anders dan een uitstroomprofiel dat hoort bij het toekomstperspectief dat je hebt bij een bepaalde leerling. Uiteraard moet een opleidingsprogramma wel passen bij het verwachte uitstroomprofiel maar gaandeweg kan een leerling best zodanig presteren dat hij of zij een ander opleidingsprogramma gaat volgen en uiteindelijk op een andere richting uitstroomt. Denk aan een leerling die start met een opleidingsprogramma arbeidsmarkt – regulier bedrijf maar uiteindelijk overstapt naar vmbo-bb PIE.

Aanbod en ondersteuning van (v)so scholen: wanneer leg je iets wel of niet vast?

Casus:
Een school VSO heeft met name leerlingen met een verstandelijke beperking die de leerroutes volgen van dagbesteding en arbeidsmarkt. Maar stél dat er 2 leerlingen op het niveau van vmbo-bb het onderwijs volgen. Daar kunnen in het kader van passend onderwijs gegoede redenen voor zijn. Registreer je dit als een aangeboden opleiding in RIO (ook al profileert de school zich niet met dit aanbod)?
Hetzelfde geldt voor ondersteuning bij taalontwikkelingsstoornissen; die leerlingen zitten soms op een wat voorheen een cluster 3 of 4 school heette, maar die scholen hebben geen erkenning voor dit type ondersteuning (ze zijn geen ‘cluster 2-school’). Wat is de leidraad hierin?

In principe leg je in RIO die aangeboden opleidingen en doelgroeponderwijsvormen (dat zijn typen ondersteuning) vast, die je later bij en inschrijving van een leerling wilt hanteren in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD, de opvolger van BRON).
In die gevallen dat er leerlingen zich aandienen die buiten dit aanbod vallen (qua opleiding en/of qua ondersteuning) maar die om gegoede redenen toch bij de betreffende school het beste af zijn (in het kader van passend onderwijs) hanteren we toch de stelregel dat je in RIO normaliter alleen die opleidingen en doelgroeponderwijsvormen (ondersteuningsexpertises) registreert die vallen binnen het normale opleidings- en expertiseaanbod van de onderwijsinstelling. Dat is immers de manier waarop je je wilt presenteren en profileren naar de buitenwereld.

Leerlingen die op je school toch een andere opleiding volgen of andere ondersteuning krijgen die niet in RIO is vastgelegd, moeten dan natuurlijk wel met de juiste opleiding en doelgroeponderwijsvorm worden geregistreerd later in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD, de opvolger van BRON). Uw leverancier zal hierbij ondersteuning moeten gaan bieden.

Welke Opleidingskenmerken gaan in RIO ondersteund worden?

Een opleidingskenmerk is een onderscheidende eigenschap van een opleiding. Welke opleidingskenmerken binnen een bepaalde sector relevant zijn om op te nemen wordt bepaald in overleg met het onderwijsveld. Voor het primair onderwijs onderscheiden we de volgende typen opleidingskenmerken:

1. Pedagogisch-didactische onderwijsconcepten. Denk daar bij aan concepten als Dalton, Montessori, Hoogbegaafdheidsonderwijs etc.
2. Doorlopende leerlijnen. Hier vallen in het bo de leerlijnen Tienerschool en Schakelklas po-vo onder en in het vso de leerroutes vmbo-mbo.
3. Doelgroeponderwijsvormen. Specifiek voor het so en vso zijn dit de ondersteuningsvormen die een onderwijsaanbieder heeft voor leerlingen met (een) bepaald(e) lichamelijke, sociale dan wel verstandelijke handicaps. Aan het mogen hanteren van Doelgroeponderwijsvormen (in de wet Onderwijssoorten genoemd) in het aanbod zijn licenties verbonden.

Niet alle Doelgroeponderwijsvormen mogen door het ontbreken van een duidelijke doelbinding om privacy redenen ingewonnen worden in het Register Onderwijsdeelnemers (de opvolger van BRON). Voor het aanbod in RIO zijn ze echter wel toegestaan (is nl. niet leerlinggebonden).

De lijst van Opleidingskenmerken en een toelichting daarop staan op https://www.doorontwikkelen-bron.nl/documenten-rio-po/ (onder kopje Waardelijsten RIO-po).

Wanneer neem je in je aanbod “eerste onderwijs anderstaligen” op?

Kinderen die de Nederlandse taal nog niet machtig zijn (vaak zijn dat zogeheten nieuwkomers) zijn welkom op de meeste scholen maar er zijn criteria om de extra begeleiding die dit vergt ook als de aangeboden opleiding ‘eerste onderwijs anderstaligen’ op te nemen in RIO.

Individuele leerlingen die dit aparte programma (opleidingsfase) moeten volgen om zich de taal eigen te maken kunnen in reguliere klassen opgenomen worden. De school zorgt voor een passende begeleiding. In zulke gevallen richt de school zich echter niet specifiek in het aanbod op deze groep leerlingen en is een registratie in RIO dan ook niet aan de orde.

Anders wordt het als er sprake is van een grote groep leerlingen die deze opleidingsfase volgen en die daarvoor (deels) ook als aparte groep les krijgen. In zulke gevallen is er wel sprake van een actief aanbod. Het kan zelfs zo zijn dat de school is aangewezen door bijv. de gemeente of in samenspraak met andere scholen in een bepaalde regio om deze leerlingen op te vangen.
De Inspectie hanteert voor het opnemen van dit soort onderwijs in het aanbod de volgende afbakening:
Type 2 – school/onderwijslocatie uitsluitend gericht op eerste opvang van en startonderwijs aan anderstaligen (in de praktijk zijn dat vaak leerlingen die conform de bekostiging als nieuwkomers worden beschouwd, maar dat hoeft niet), eventueel inclusief kinderen van een azc.
Onder de type 2-voorzieningen vallen ook grotere type 3-voorzieningen met 3 of meer nieuwkomersklassen.

Type 3 – Groep(en) gericht op eerste opvang/onderwijs aan nieuwkomers (en andere leerlingen die de Nederlandse taal niet machtig zijn), verbonden aan een basisschool; de groepen kunnen een functie hebben voor de betreffende school, voor alle scholen van een bestuur, voor verschillende besturen, voor de gemeente of voor de regio.

Er is sprake van een actief aanbod van “eerste onderwijs anderstaligen” indien de groepen van leerlingen die hiervoor in aanmerking komen:
• zijn gekoppeld aan een (reguliere) school en deel uit maken van de basisschool;
• aparte klassen zijn waarin uitsluitend nieuwkomers cq niet-Nederlands sprekenden zitten;
• bestaan uit één of twee groepen;
• zijn gericht op het leren van de Nederlandse taal;
• verzorgen voor de duur van 1 tot 1,5 jaar onderwijs aan anderstaligen;
• verzorgen één of meer dagen per week specifiek en in een aparte groep onderwijs voor anderstaligen (NB voor de andere uren kunnen de leerlingen meedraaien in reguliere klassen);
• vallen onder de verantwoordelijkheid van de directie van de school (NB het onderwijsbestuur is eindverantwoordelijk). Zij zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opvang en het onderwijs in deze klassen.

Communicatiecontexten

Wat zijn Communicatiecontexten?

In het kort bevat een communicatiecontext de weg waarlangs externe partijen contact moeten opnemen (dus contactgegevens) met een organisatorische eenheid (bijvoorbeeld een onderwijsbestuur) in de context van het uitvoeren van een bepaald proces (bijv. toezicht).
Meer uitleg en een overzicht van de beschikbare communicatiecontexten is te vinden op https://www.doorontwikkelen-bron.nl/documenten-rio-po/ (onder kopje Waardelijsten RIO-po).

Hoe registreer ik contactgegevens (communicatiecontexten)?

We krijgen bij RIO regelmatig vragen binnen over het onderwerp contactgegevens (communicatiecontexten): welke gegevens moet ik invullen, wat vul ik in bij het onderwijsbestuur en wat bij de onderwijsaanbieders, hoe gedetailleerd moet ik zijn, etc.

Binnen DUO vindt op dit moment een analyse plaats van het gebruik en de richtlijnen voor het vullen van de communicatiecontexten. Daarop hoeven onderwijsinstellingen natuurlijk niet te wachten en het is raadzaam om contactgegevens alvast in de basis te registreren in RIO. Detaillering volgt dan later.

Hier volgen een paar simpele richtlijnen voor die eerste registratie van de contactgegevens:

  • Voer voor elke organisatorische eenheid (onderwijsbestuur, onderwijsaanbieders en eventuele onderwijsaanbiedersgroepen) in ieder geval de communicatiecontext Algemeen in. Anders toont RIO overal de contactgegevens die bij DUO en/of het Handelsregister bekend zijn en dat is vaak niet helemaal gewenst. Denk bij Algemeen aan de gegevens die op de eigen website onder Contact vaak worden getoond.
  • Handel je als onderwijsinstelling bepaalde onderwerpen op bestuursniveau af? Vul daarvoor dan de bijbehorende communicatiecontexten in en laat ze leeg bij de onderliggende organisatorische eenheden (de onderwijsaanbieders en indien relevant de onderwijsaanbiedersgroepen). Zoekt iemand bij bijvoorbeeld de Inspectie van het Onderwijs dan in RIO de contactgegevens van een bepaalde onderwijsaanbieder voor een bepaalde toezichtskwestie, dan komt zij automatisch uit bij het onderwijsbestuur.
  • Heb je voor communicatiecontexten bij het onderwijsbestuur een speciaal aanspreekpunt dat niet voorkomt in Algemeen, voer dan de specifieke contactgegevens van dat aanspreekpunt in bij de desbetreffende communicatiecontext (bijv. mailadres, telefoonnummer). Als alles identiek is aan Algemeen, dan is het invullen van een aparte communicatiecontext niet nodig en volstaan de contactgegevens van Algemeen voor externe partijen.
  • Vul je voor een communicatiecontext een specifiek mailadres of telefoonnummer in maar zijn de andere gegevens, zoals post- en bezoekadres, identiek aan die van Algemeen, vul die gegevens dan tóch weer in. Iemand die contactgegevens zoekt, hoeft dan namelijk niet in twee communicatiecontexten te gaan zoeken.
  • In zijn algemeenheid geldt dus: als voor een bepaalde communicatiecontext van een organisatorische eenheid géén contactgegevens zijn ingevoerd, zullen externe partijen terecht kunnen bij de communicatiecontext Algemeen en kunnen zij die gegevens gebruiken.
  • Als van een onderwijsaanbieder een bepaalde communicatiecontext niet is gevuld maar diezelfde communicatiecontext bij het onderwijsbestuur wél, dan worden bij de onderwijsaanbieder voor die communicatiecontext de contactgegevens van het onderwijsbestuur getoond.
  • In de regel zijn er bij onderwijsaanbieders speciale aanspreekpunten voor onderwerpen als Leerplicht/RMC (bedoeld voor de leerplichtambtenaar bij de gemeente) en Leerlingzaken (bedoeld voor andere onderwijsinstellingen om contact op te nemen met jou als onderwijsaanbieders): voer dan dus de contactgegevens van de bijbehorende communicatiecontexten in.
  • Zijn er geen speciale aanspreekpunten, dan kunnen mensen die contactgegevens zoeken voor onderwerpen als Leerplicht/RMC of Leerlingzaken, terecht bij de communicatiecontext Algemeen.

 

In het onderstaande denkbeeldige voorbeeld van het onderwijsbestuur ScolaVitae:

  • heeft elke organisatorische eenheid (onderwijsbestuur en onderwijsaanbieders) een communicatiecontext Algemeen
  • worden de onderwerpen Bekostiging, Toezicht, Facturatie en RIO-beheer door het onderwijsbestuur afgehandeld
  • heeft het onderwijsbestuur voor die communicatiecontexten speciale aanspreekpunten met bijbehorende contactgegevens
  • hebben de meeste onderwijsaanbieders één aanspreekpunt voor de onderwerpen Algemeen, Leerplicht/RMC en Leerlingzaken
  • heeft alleen onderwijsaanbieder 3 voor de onderwerpen Leerplicht/RMC en Leerlingzaken aparte aanspreekpunten met eigen contactgegevens.

Soms moeten contactgegevens (bijv. voor verzuim) ook gekoppeld kunnen worden aan onderwijslocaties. Kan dat?

Communicatiecontexten kunnen niet aan een Onderwijslocatie gekoppeld worden, alleen aan organisatieonderdelen (Onderwijsbestuur, Onderwijsaanbiedersgroep, Onderwijsaanbieder). Immers, je neemt contact op met een bepaalde organisatie of bepaald organisatieonderdeel, maar niet zozeer met een bepaalde plek. Wel is de workaround bedacht om meerdere Contactpunten per organisatieonderdeel (bijvoorbeeld per locatie of afdeling) te registreren bij een Communicatiecontext. In de handleiding van het RIO-portaal wordt uitgelegd hoe dit te doen. Wees hier echter terughoudend in, want bij meerdere contactpunten moeten afnemende partijen keuzes maken en niet altijd automatisch de gegevens overnemen.

Samenwerkingsvormen

Hoe registreer je samenwerkingsvormen tussen onderwijsinstellingen in RIO?

In dit PDF-document leest u hoe u samenwerkingsvormen in RIO kunt registreren.

Gebruik van RIO door andere partijen

Welke partijen en processen gaan aansluiten op RIO?

Het is uiteraard aan die partijen om ook daadwerkelijk gebruik te gaan maken van RIO en hun systemen en processen daarop aan te passen. De vraagstelling vanuit het onderwijsveld en de prioritering ervan is daarin belangrijk. Hier wordt vanuit DUO op gestuurd. Partijen gaan mede daardoor in samenspraak met het onderwijsveld de aanpassingen doorvoeren om hun diensten c.q. processen aan te laten sluiten op RIO.

Los van het rechtstreeks aansluiten op RIO is het ook goed om te weten dat de inschrijving het Register Opleidingsdeelnemers (voorheen BRON) een aantal onderwijskundige onderdelen van RIO (grotendeels ook verplicht) bevat. Daarmee wordt in ieder geval een basis gelegd voor tal van afnemersprocessen binnen DUO en OCW en andere overheidsinstanties (bijv. Inspectie van het Onderwijs, gemeenten, Kadaster) om daar via gegevensleveringen gebruik van te gaan maken.

Naar verwachting gaan steeds meer partijen die de komende jaren op RIO willen aansluiten en hun diensten en processen daarop aanpassen.

Gaat Vensters voor PO aansluiten op RIO? Wordt er in Vensters dan ook gebruik gemaakt van de Opleidingskenmerken voor het maken van rapportages en als zoekfilter in Scholen op de Kaart?

Het ligt in de lijn der verwachtingen dat Vensters rechtstreeks aangesloten gaat worden op RIO. Het is een wens die veel scholen die al of niet rechtstreeks betrokken zijn bij de implementatie van RIO meermaals hebben geuit. Een concrete planning is er nog niet, omdat dit een behoorlijke “verbouwing” van Vensters gaat vergen. Er moet hiervoor nog een nadere analyse worden uitgevoerd welke RIO-onderdelen in Vensters relevant zijn om ook te gebruiken en hoe die te gebruiken. Hierbij rekening houdend met verschillen die er zijn tussen het gebruik in het managementrapportage-deel van Vensters en in Scholen op de Kaart.

Privacy/AVG

Mogen gegevens uit RIO gedeeld worden met derden? Zijn er hierbij geen persoonsgegevens betrokken?

De gegevens die in RIO worden geregistreerd zijn openbaar. Iedereen mag en kan dus deze gegevens raadplegen. Er worden geen persoonsgegevens geregistreerd en gepubliceerd, alleen gegevens over de organisatiestructuur, over het opleidingsaanbod en de juridische relaties (erkenningen, onderwijslicenties) van onderwijsinstellingen.

Op zich is dat geen nieuwe situatie. Ook nu zijn onder meer bestuurs-, instellings- en vestigingsgegevens via DUO Open Data beschikbaar en downloadbaar via Excel- of CSV-bestanden. Zowel publieke als private dienstverleners (bijv. uitgevers, distributeurs) maken daarvan gebruik als basis voor hun eigen processen en voorzieningen. In sommige gevallen krijgen dienstverleners vanuit DUO direct deze gegevens via bestandsleveringen.

Met de komst van RIO komen er naast de mogelijkheid om de gegevens via een webportaal te zoeken en te raadplegen ook meer eigentijdse vormen van gegevensleveringen voor dienstverleners. De verwachting is dat dit de actualiteit en kwaliteit van het gebruik van de gegevens gaat verhogen. Of het wenselijk is dat dienstverleners daarbij gebruik moeten gaan maken van de nieuwe, onderwijskundige gegevens die ook via RIO worden geregistreerd en ontsloten is iets wat het onderwijsveld samen met die dienstverleners moet gaan afspreken. Ondersteuning daarbij vanuit de onderwijsraden ism Kennisnet is daarin wel voorzien.

Er is één uitzondering op het openbaar publiceren van de gegevens in RIO en dat zijn de contactgegevens die ook door scholen in RIO kunnen worden vastgelegd. Dat wordt gedaan via zogeheten Communicatiecontexten. Alleen de contactgegevens van de Communicatiecontexten Algemeen (een beetje vergelijkbaar met het contactadres wat men ook op de eigen website zet) en Facturatie worden voor iedereen zichtbaar. Het is aan de school resp. het onderwijsbestuur om daarin geen tot de persoon herleidbare gegevens op te nemen.

Alle andere Communicatiecontexten zijn bedoeld voor een specifieke partij. Bijv. de context Toezicht bevat contactgegevens die alleen voor daartoe geautoriseerde medewerkers van de Inspectie van het Onderwijs raadpleegbaar zullen zijn. De Communicatiecontext Leerlingzaken is dan weer alleen bedoeld voor het contact opnemen tussen scholen onderling. Denk bijv. aan het contact opnemen van een vo-school over een OSO-dossier of als er sprake is van een dubbele inschrijving.
Het is aan de scholen zelf om te bepalen of tot personen herleidbare gegevens door hen wel of niet als contextgegevens bij deze context worden geregistreerd. De algemene richtlijn is echter om ook in deze specifieke Communicatiecontexten daarmee terughoudend te zijn.

Contact:

rio@duo.nl